Terug naar het overzicht
Delen: Dit nieuwsbericht delen:
09 apr 2018

Een werkgever die een werknemer rechtsgeldig op staande voet ontslaat, kan er niet zonder meer vanuit gaan dat er geen transitievergoeding verschuldigd is. Onlangs besliste de Hoge Raad dat het toekennen van een transitievergoeding ook bij een ontslag op staande voet mogelijk is, namelijk als de werknemer niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.

In deze zaak ging het om een werknemer die in 1991 bij zijn werkgever in dienst trad als magazijnbeheerder. Bij deze werkgever geldt een alcohol- en drugsbeleid: werknemers mogen voor aanvang en tijdens het werk niet onder invloed van alcohol, drugs en/of medicijnen verkeren. In augustus 2015 verscheen de werknemer ruikend naar alcohol op het werk, waarvoor hij een officiële waarschuwing kreeg. In maart 2016 werd hij op staande voet ontslagen omdat hij onder invloed van alcohol op het werk verscheen.

In de procedure die de werknemer daarop aanspande, overwoog de Hoge Raad uiteindelijk dat een ontslag op staande voet niet per definitie betekent dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Nu de wetgever bovendien de mogelijkheid dat de werknemer toch een transitievergoeding krijgt na een ontslag op staande voet niet heeft uitgesloten, is het mogelijk dat een werknemer – ondanks een rechtsgeldig ontslag op staande voet – aanspraak heeft op een transitievergoeding.

Wanneer de werknemer dat verzoekt, moet de rechter voortaan dus ook bij een rechtsgeldig ontslag op staande voet nog afzonderlijk beoordelen of de werknemer recht heeft op een transitievergoeding. Dat kan flink oplopen: de maximale transitievergoeding bedraagt in 2018 € 79.000,-, of een jaarsalaris als dat hoger is. Als geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid kan dus ook een terecht ontslag op staande voet de werkgever nog veel geld kosten.